KENNISBANK A–Z

Van afstreek
tot zuiver spelen.

Woorden die je tegenkomt in je les, naast je muziekstandaard of bij de vioolbouwer. Helder uitgelegd, op één plek.

A

Afstreek

Een streek vanuit de slof richting de punt van de strijkstok. Het teken lijkt op een hoekig dakje.

Altviool

Een groter familielid van de viool, doorgaans met snaren C–G–D–A. De klank ligt lager; de partij gebruikt vaak de altsleutel.

B

Booghaar

Het haar van de strijkstok dat de snaar raakt. Hars helpt grip te krijgen. Raak het zo weinig mogelijk met je vingers aan.

Brug of kam

Het houten onderdeel dat de snaren draagt en de trillingen doorgeeft aan het bovenblad. Laat afstelling over aan een vioolbouwer.

C

Crescendo

Geleidelijk sterker spelen. Dat doe je met gecontroleerde veranderingen in de streek, zonder onnodig te knijpen.

D

Détaché

Een afzonderlijke streek voor iedere noot. Afzonderlijk betekent hier niet dat er steeds een hoorbare stilte tussen de tonen zit.

Dubbelgreep

Twee snaren tegelijk laten klinken, vaak met vingers op beide snaren. Dit vraagt gerichte afstemming van beide handen.

E

E-snaar

De hoogste van de vier gebruikelijke vioolsnaren. De volgorde van laag naar hoog is G–D–A–E.

F

F-gaten

De twee openingen in het bovenblad. Hun vorm en de bouw van de klankkast maken deel uit van de akoestiek van de viool.

Fijnstemmer

Een schroefmechanisme bij het staartstuk waarmee je kleine aanpassingen aan de snaarspanning kunt maken.

G

G-snaar

De laagste van de vier gebruikelijke vioolsnaren. De toon van een losse snaar ontstaat zonder een vinger op de toets.

H

Hars

Een materiaal dat je op het booghaar aanbrengt om wrijving met de snaar te krijgen. Te veel kan stof en een onprettig speelgevoel geven.

I

Intonatie

De nauwkeurigheid van toonhoogte. Je traint die met luisteren, gerichte vingerplaatsing en het vergelijken van tonen.

J

Jonge beginners

Kinderen kunnen met een passende maat en methode beginnen. De geschikte leeftijd hangt af van aandacht, motivatie en begeleiding.

K

Kinsteun

De steun aan de bovenkant van de viool waarop de kaak rust. Vorm en plaatsing moeten bij de speler passen.

Kwint

De toonafstand tussen de opeenvolgende losse vioolsnaren. Daarom spreken we van stemming in kwinten.

L

Legato

Gebonden spelen. Op viool kunnen meerdere noten in één strijkbeweging worden verbonden, aangegeven met een boog in de muziek.

M

Metronoom

Een hulpmiddel dat een regelmatige puls geeft. Gebruik een rustig tempo om ritme en coördinatie te oefenen.

N

Noten lezen

Toonhoogte, duur, ritme en aanwijzingen herkennen in de muzieknotatie. Op viool wordt meestal de vioolsleutel gebruikt.

O

Opstreek

Een streek vanuit de punt richting de slof. Het bijbehorende teken lijkt op een V.

P

Pizzicato

De snaar tokkelen met een vinger in plaats van strijken. In de partij wordt dit vaak afgekort als pizz.

Positiespel

De linkerhand verplaatst over de hals om een ander bereik of een andere vingerzetting te gebruiken.

Q

Quasi

Een Italiaanse aanwijzing met de betekenis “als het ware” of “bijna”. De term krijgt betekenis samen met de woorden die erop volgen.

R

Ritme

De ordening van toonlengtes en stiltes. Oefen een ritme ook door te klappen of te spreken, zonder instrument.

S

Schoudersteun

Een steun onder de viool die kan helpen het instrument passend te positioneren. Niet iedereen gebruikt dezelfde vorm of instelling.

Slof

Het deel van de strijkstok bij je hand. De schroef aan het uiteinde regelt de spanning op het booghaar.

Stapel

Een klein houten staafje in de viool, tussen boven- en onderblad. De plaatsing beïnvloedt de werking van het instrument; laat dit aan een vioolbouwer.

Suzuki-methode

Een onderwijsaanpak met veel luisteren, voordoen en herhalen. Bij jonge kinderen zijn ouders vaak nauw betrokken. Noten lezen krijgt ook een plek in de ontwikkeling.

T

Toets

Het donkere speelvlak op de hals waarboven je vingers de snaren indrukken. Een viooltoets heeft geen fretten.

U

Unisono

Samen dezelfde toon of melodielijn spelen. Dat maakt verschillen in timing en intonatie goed hoorbaar.

V

Vibrato

Een gecontroleerde schommeling rond een toonhoogte voor expressie. Leer dit wanneer een ontspannen linkerhand en de basis daarvoor klaar zijn.

Vioolbouwer

Een vakman of vakvrouw voor bouw, afstelling, onderhoud en reparatie van strijkinstrumenten.

W

Wisselstreek

Het veranderen van strijkrichting. Je oefent een soepele overgang met passende beweging van hand, pols en arm.

X

X-factor van klank

Geen officiële vioolterm: de persoonlijke voorkeur voor een klank. Proefspelen zegt meer dan alleen afgaan op leeftijd, uiterlijk of merk.

Y

Ysaye

Eugène Ysaÿe (1858–1931) was een Belgische violist en componist, onder meer bekend om zijn zes sonates voor viool solo.

Z

Zuiver spelen

Toonhoogtes doelgericht laten passen in hun muzikale context. Een gestemde viool, goed luisteren en een vrije handvorm helpen daarbij.

DE VOLGENDE STAP

Vind de docent die
bij jou past.

Een goede klik maakt leren zoveel leuker. Ontdek namen van lesaanbieders in jouw regio.

Ontdek vioolles in de buurt ↗