Een stabiele houding laat beweging toe. Je viool hoeft niet met kracht te worden vastgeklemd.
Staan of zitten
Sta met evenwicht op beide voeten of zit stevig met ruimte voor je armen. Breng de viool naar je lichaam in plaats van je hoofd ver naar het instrument te buigen. Je schouders blijven zo vrij mogelijk. De precieze afstelling verschilt per lichaamsbouw; laat iemand met ervaring meekijken.
De rechterhand
Een bruikbare stokhouding is beweeglijk, met gebogen vingers en een soepele duim. Forceer geen vaste vorm op basis van een foto. Oefen de beweging desnoods eerst zonder viool. De docent laat zien hoe hand, pols en arm samenwerken.
Je eerste streek
Begin op één losse snaar. Zoek een gelijkmatige beweging ongeveer tussen toets en kam. Luister wat verandert als je iets sneller strijkt of minder gewicht gebruikt. Verander telkens één ding. De stok hoeft niet meteen over de volle lengte te bewegen.
De linkerhand
Plaats vingers rustig, zonder de hals met je duim vast te knijpen. De vingertoppen verkorten het trillende deel van de snaar. Oefen eerst kleine patronen en luister naar het verschil. Stop bij pijn en laat je houding en afstelling beoordelen; doorspelen is dan geen oefendoel.