Noten geven richting. Je oren vertellen hoe de muziek klinkt. Oefen beide vanaf het begin.
De vier losse snaren
Van laag naar hoog zijn de snaren G, D, A en E, gestemd in kwinten. Op de viool lees je meestal in de vioolsleutel. De losse snaren vormen herkenningspunten op de notenbalk. Leer eerst enkele noten en voeg er geleidelijk meer toe.
Ritme los van de viool
Klap een eenvoudig ritme voordat je het speelt. Tel een rustige puls mee en houd die vast tijdens stiltes. Een kwartnoot duurt niet altijd één seconde: het tempo bepaalt hoe lang een tel is. In een eenvoudige vierkwartsmaat tel je vier kwartnoten per maat.
Vingers en toonafstand
Tussen de eerste vingers kunnen hele of halve toonafstanden liggen. Dat hangt af van de toonsoort en de melodie. Leer dus geen universeel rijtje afstanden dat overal zou gelden. Luister naar de toon en gebruik het patroon dat je docent bij de oefening aangeeft.
Stemmen met aandacht
Gebruik voor kleine correcties de fijnstemmers. Stemsleutels vragen gevoel en kunnen een snaar snel te strak trekken. Laat het eerst voordoen. De oefenruimte geeft losse referentietonen bij A = 440 Hz; dit is een luisterhulp, geen microfoontuner. Ensembles kunnen een andere stemhoogte gebruiken.